Agressietheorieën

Er bestaan verschillende sociologische, filosofische en psychologische theorieën en scholen van theorieën over de oorzaken van agressie en agressiviteit en hoe het ontstaat binnen de mens. Misschien wel de belangrijkste en invloedrijkste school is die van de evolutionaire biologie en psycho-biologie.

Dat is niet vreemd want agressiviteit is iets van de mens als soort. Elke theorie die agressief gedrag wil verklaren moet daarom de hele mens als uitgangspunt nemen en de relatie genen - lichaam - gedrag erbij betrekken. De school van de psycho-biologie is daartoe als vrijwel enige toe in staat.

De school van de psycho-biologie

Binnen deze school kun je drie theorieën rondom drie grote namen - Darwin, Lorentz en De Waal - onderscheiden (kijk voor titels van hun boeken bij documentatie). Tezamen bieden ze min of meer het fundament van alle agressie-theorieën.

Darwin

Darwin schreef in de 19e eeuw The Origin of Species by Means of Natural Selection, het boek dat de basis vormt voor de evolutietheorie en dat door alle wetenschappers inzake agressie en agressiviteit gebruikt wordt als startpunt.

Voor Darwin is agressie een natuurlijke en noodzakelijke eigenschap van de mens om zich te verzekeren van veiligheid.

De mens gebruikt agressie om zich te verdedigen bij aanvallen, om zelf te kunnen aanvallen, en om voedsel te kunnen verzamelen. Dit alles staat in dienst van het grote levensdoel van de mens: zijn voortplanting.

Agressief gedrag krijgt zijn gestalte door een evolutionair proces van natuurlijke selectie: díe vormen van agressie ontwikkelen zich het best die de mens het best helpen bij zijn overleving en voortplanting.

Darwin ontkent niet dat de mens ook goed, trouw en altruïstisch kan zijn maar acht dat van minder belang. Agressie is een instinct, een drift, en dat heb je te accepteren.

Lorenz

De theorie die Konrad Lorenz in de jaren zestig van de vorige eeuw ontwikkelde bouwt rechtstreeks voort op die van Darwin. In Agressie bij mens en dier stelt Lorenz dat agressie een instinct, een menselijke drift is, vergelijkbaar met de voortplantingsdrift.

Volgens Lorenz is agressie in de basis genetisch bepaald. Het is het gedrag en het vermogen tot dat gedrag waaruit, in de vroege evolutionaire ontwikkeling van de mens, het overige gedragsrepertoire, zoals jezelf verbinden of afhankelijk opstellen, zich heeft ontwikkeld.

Dat zich uit het agressieve ander gedrag heeft ontwikkeld was pure noodzaak: hoe kun je je anders voortplanten en vredig omgaan met je nakomelingen? Niet-agressief gedrag bewees daarmee haar nut en kreeg, naarmate de evolutie van de mens voortschreed, een steeds bredere verankering binnen de mens.

De mens ontwikkelde zijn agressie van generatie op generatie in gemeenschappen die vooral klein en overzichtelijk waren, en waarin de agressie goed ingebed was in lokale structuren.

Door het leven in grotere en lossere verbanden, ontwikkelde de agressie in de mens en de samenleving zich echter op een negatieve wijze.

De Waal

De psycholoog-bioloog Frans de Waal, een generatie na Lorenz, staat lijnrecht tegenover Lorenz.

In Van nature goed stelt hij dat de mens van nature geneigd is mee te leven met anderen en altruïstisch te handelen (dat is: goed doen zonder er iets voor terug te verwachten).

Hoewel ze agressief kunnen handelen en dit ook doen, heeft, wanneer mensen de keuze hebben en hun gedrag niet al blijvend negatief beïnvloed is, dit altruïstisch gedrag hun voorkeur.

Het gebruik van agressie werd oorspronkelijk beperkt doordat mensen, net als mens-apen waarop het onderzoek van de Waal vooral is gebaseerd, in kleine verbanden leefden.

In die kleine groepen had agressief gedrag een functie om de rangorde te bepalen - wie kan het meest? wie is het sterkst? - en te bewaken - tikken op vingers, vermaningen - en de seksuele drift te reguleren.

Buiten deze toegestane vormen werd misbruik meteen afgestraft door hogeren in de pikorde. Ook werd agressie gebruikt om de relatie met andere groepsverbanden te reguleren.

Onder meer door het leven in grotere, lossere, en vagere verbanden, is het zicht op het oorspronkelijke nut van de agressie kwijt geraakt terwijl de sociale druk onvoldoende was om de agressie te kanaliseren. Het resultaat is stress, frustratie en ongecontroleerde agressie.

De moderne mens moet daarnaast ook een veelheid aan ingewikkelde, en vaak tegenstrijdige rollen spelen terwijl de persoonlijke bronnen waaruit hij kan putten eindig zijn. Dit levert nog meer stress en strijd op.

Volgens de Waal gaan de maatschappelijke ontwikkelingen te snel voor de evolutie van de mens. Het gevolg is dat agressief gedrag en het vermogen tot agressief gedrag zich binnen de mens verder negatief ontwikkelen.

De drie

Alle drie - Darwin, Lorenz, de Waal - gaan er van uit dat het vermogen tot agressief gedrag een natuurlijk iets van de mens is, of hij er wat mee doet of niet, of hij er toe geneigd is of niet. Het vermogen is, zoals we dat tegenwoordig zeggen, gecodeerd in de genen.

Elke theorie benadrukt vooral één aspect van wat agressie is en is vager over de andere. In mijn opinie vullen ze elkaar goed aan.

De conclusie is vooral dat agressie (agressiviteit) een soort oer-energie is die je gebruikt om je te beschermen, te overleven en te reproduceren.

De variant Lorenz stelt daarbij dat de mens in de kern 'slecht' is (want in principe agressief georiënteerd middels een agressief instinct) terwijl de Waal stelt dat de mens in de kern 'goed' is (want in principe in bezit van een altruïstisch instinct, de agressie ontwikkelt zich onder invloed van externe factoren).

De theorie van de Waal wordt tegenwoordig het breedst geaccepteerd, hoewel belangrijke delen van de theorie van Lorenz terugkomen in vele andere theorieën (zonder dat daar dan, overigens, de naam van Lorenz aan verbonden is).

De behavioristische school

De behavioristische benadering bestrijdt grote delen van de psycho-biologische theorieën niet. Ze concentreert zich echter op wat we in het dagelijkse spraakgebruik agressie noemen, niet de agressie in brede zin van Lorenz en de Waal.

Behavioristen stellen dat agressief gedrag is aangeleerd op basis van imitatie of persoonlijke ervaringen. Agressief gedrag is per definitie verkeerd gedrag en dien je dus af te leren. Binnen de Behavioristische school kennen we twee, niet-tegenstrijdige visies op agressie.

De frustratie-agressie theorie

In de jaren veertig ontwikkelde de Yale School (Dollard ea) de frustratie-agressie theorie. Die stelt dat agressief gedrag een naar buiten gerichte reactie op innerlijke frustratie is.

De agressie helpt de innerlijke emotionele spanning te ontladen - het is gewoon makkelijker boos te worden op een ander dan met je frustraties aan de slag te moeten want dat vereist dikwijls in het reine komen met jezelf. Het is vluchtgedrag wat je je toen je jong was hebt aangeleerd.

Instrumentele agressie

Een tweede vorm van agressie is wanneer je bewust agressief gedrag inzet om een gewenst doel te bereiken. Je past het dan als een instrument toe.

Ook deze vorm van agressie is gedrag wat je vroeger - ooit - hebt aangeleerd: je hebt geleerd dat als je je hond een schop gaf hij onderdanig luisterde, je hebt geleerd dat als je schreeuwde naar je moeder ze bang werd en deed wat je zei. Deze vorm van agressief gedrag noem je wel instrumentele agressie.

De analytisch-psychologische school

De analytisch-psychologische school ziet agressie als een oervorm van gedrag die wordt opgeroepen door interne frustratie en/of externe dreiging. Agressie is in diepste wezen een drift, een instinct, een reactie op wat de mens aantreft in de wereld.

De grote naam binnen deze school (hoewel dit eigenlijk een te ruim begrip is) is die van Freud. Freud zag agressief gedrag als een uiting van een primaire drift gericht op het behoud en voortbestaan van het ik, het individu, binnen de samenleving.

Het inzetten van agressie is daarbij noodzakelijk om te kunnen garanderen dat de mens zijn andere driften, op het hoogste niveau de seksuele drift en doodsdrift, kan nastreven. In haar kern is agressie niet anders dan een aangepaste uiting van deze twee driften.

Na Wereldoorlog II sleutelden navolgers van Freud aan zijn opvattingen, ook die inzake de agressie. Daarbij werd het agressie-begrip breder en zelfstandiger opgevat dan eerst het geval was. Voor de rest bleef de visie van Freud met de nodige mitsen en maren geaccepteerd.

De neurobiologische school

De ingang van deze school is simpelweg dat agressie in het lichaam is gecodeerd in de genen en gereguleerd wordt door hormonale stoffen als adrenaline, testosteron en serotonine onder invloed van schemata in bepaalde hersengebieden. Door afwijkingen en fouten in deze schemata vertonen mensen een teveel of een gebrek aan vermogen tot agressief gedrag vergeleken met een 'gemiddeld' mens.

Deze afwijkingen kunnen al generaties lang in de familie voorkomen en daarnaast ook nog eens individueel ontwikkeld worden. Zo kunnen bijvoorbeeld roken en drinken van de moeder tijdens de zwangerschap of stressvolle gebeurtenissen tijdens de bevalling hun weerslag hebben op hoe agressief een kind in potentie zal zijn.

De neurobiologische school bestrijdt niet de basisideeën die Lorenz en de Waal hebben ontwikkeld. Of er nu wel of geen evolutionaire rol is weggelegd voor agressief gedrag en hoe die rol er dan uit ziet, vindt ze echter minder relevant.

Afsluitend

Hoewel de grondleggers van de diverse theorieën dat misschien anders zien, sluiten de meeste theorieën elkaar niet uit. In vrijwel alle theorieën komt naar voren dat:

- Het vermogen tot agressief gedrag biologisch en genetisch verankerd is en per persoon varieert;
- Mensen naast agressief ook altruïstisch kunnen zijn;
- Agressief gedrag nuttig kan zijn in verkeer met anderen;
- Agressie nuttig kan zijn voor het voortbestaan van de persoon en de mens als soort;
- Agressief gedrag kan ontstaan in reactie op opgedane frustratie;
- Mensen zichzelf agressief gedrag aanleren (en dus ook weer kunnen afleren);
- Samenlevingsvormen waarbij grote aantallen mensen dicht op elkaar moeten leven, voeding kunnen geven aan (excessief) agressief gedrag;
- Er ook pathologische vormen van agressie bestaan (= vormen van agressie die ziekelijk van karakter zijn).

Op het punt of de mens per definitie altijd een agressief wezen is, verschillen dus de meningen wel.

De grote controverse

In de jaren zeventig woedde een heftige controverse over agressie en agressief gedrag. De controverse ging over de vraag of agressief gedrag is aangeboren of niet en wat dan daaronder moet worden verstaan.

Onder aangeboren kun je als uitersten enerzijds agressie als drift en instinct (mensen zijn beesten zijn agessief, niets helpt daartegen) en anderzijds een vermogen agressief te handelen wanneer dat nodig is (waaronder de vechten - vluchten respons en functionele dominantie binnen en buiten de groep) onderscheiden.

Wetenschappers die de eerste opvatting aanhangen zijn onder meer Darwin, Tinbergen, Lorenz, Storr, Morris, Freud, Mead. Wetenschappers die de tweede opvatting voorstaan zijn onder meer Montagu, Fromm en, een tiental jaren later, Frans de Waal.

Daarnaast heb je wetenschappers die stellen dat agressief gedrag niet is aangeboren maar enkel verkeerd is aangeleerd en wordt opgewekt door interne danwel externe gebeurtenissen. Wetenschappers die stellen dat agressie vooral een negatieve leerervaring betreft zijn onder meer Dollard en Skinner.

Lees voor een uitgebreide bespreking van deze controverse onder meer de boeken van Ashley en Fromm (zie de boektitels op de pagina documentatie). De controverse bestaat in feite nog steeds.