Eenzaam maar niet alleen

Je wordt geboren en komt terecht in iets dat in de kern al vast ligt. Een gezin, familie. Stad of dorp. Structuren. Overal structuren waaraan je afgemeten en gelabeld. Of waaraan je je hebt te conformeren, al vanaf dag 1.

Je groeit op. In omgang met de anderen, door opvoeding en scholing, vorm je jezelf en wórd je gevormd. Vooral in hoe om te gaan met de anderen, het andere gekend in alle strucuren en, in het verlengde hiervan, het zelfbeeld.

Je 'past' nooit precies in je omgeving. Jouw belangen en kijk op het leven vallen altijd maar ten dele samen met die van anderen.

Dus is er frictie, op z'n minst onrust en angst, want je bent zo hulpeloos zo alleen in deze wereld. Dus pas je je aan en sluit je compromissen. Of knok je. Of trek je je terug zover als je kunt. Of doe je van alles een beetje, net zoals iedereen.

Iedereen vecht, voegt zich, en trekt zich terug. Dit maakt een leven leefbaar. Meer nog, dit is het leven zelf: je geeft, je droomt, je houdt van, je bent bang, je haat, je neemt, je plant je voort, je bent gelukkig, je houdt je afzijdig, je hebt conflicten, je kotst er van.

Of je nu een heftige intieme verhouding hebt of teruggetrokken in de woestijn leeft, het wezen van je relatie met de anderen, of juist de afwezigheid of gemankeerdheid van die relatie, kleurt je bestaan ten diepste.

Wanneer we vrienden verliezen, een relatie uitmaken of een baan kwijtraken, raken we uit balans en voelen we ons alleen en onzeker. Niet zozeer omdat die ander of dat andere er niet meer is, maar vooral omdat die ander of dat andere er niet meer voor ons is. We voelen ons verloren en onthecht en weten opeeens oprecht minder goed wat onze positie in het geheel van alles is.

Enkel de relatie tot anderen en het andere, ons besef daarvan en de invulling die we eraan geven, maakt een mens tot mens.

Want in essentie, wanneer je alle laagjes eraf krabt, is de mens slechts een volkomen eenzaam en angstig wezen, een dier, teruggeworpen op zichzelf en de relatie die hij heeft met de groep. Dát is wat altijd blijft en nooit weggaat. Nooit.

Vriendschap

Op de ochtend van mijn vertrek wekt Ara mij weer door het gooien van steentjes tegen mijn raam. 'Je gaat weg,' fluistert ze, maar ik versta het toch. Beneden open ik de achterdeur van ons huis voor haar en wij omarmen elkaar minutenlang. 'Het is goed,' zegt ze. Connie Palmen, in: De Vriendschap, Prometheus 1995.

Thuis

Ik denk dat ik ook niet thuis meer kan wonen. Tenminste, mijn ándere pleegouders, Bert en Anneke, hadden dat gezegd. Dat ik dan tenminste niet thuis kon wonen. Maar hier weet je eigenlijk nooit of je nog thuis komt of niet. Sommigen zeggen dat je niet naar huis gaat en dan kom je in één keer wel thuis. Meisje van tien, in: Fiet van Beek, Missen we iets? Uit huisgeplaatste kinderen over hun levensvragen, SWP 2000.

Seksualiteit

Tja, en dan kwam hij dicht naast me uit het venster naar buiten leunen .... Ik voelde z'n hand onder me rokje glijden, zorg ervoor dragend niet al te brutaal op te treden, want zo was hij, die vriendelijke man. Hij legde gewoon, bijna alsof het toevallig bij toeval gebeurde, de hand tegen me bil aan, en liet ze daar rusten. Ik bleef toekijken naar wat op straat gebeurde en gaf aan z'n dochtertje, Muisje, kommentaar erop. Louis Paul Boon, in: Mieke Maaikes obscene jeugd, AP 1979.

Samen

Naast hem soest Franka, haar handen in de schoot gevouwen, haar hoofd opzij gezakt, zijn vrouw die tegenwoordig overal in hazeslaapjes valt, behalve thuis in bed, waar al haar demonen haar tussen de plooien van de lakens opwachten. Hij denkt: Als we nou eerst maar weer eens gewoon samen, als we nou eerst, als we nou gewoon weer eens plezier hebben samen, dat is het, dan komt de rest vanzelf. Renate Dorrestein, in: Zonder genade, Pandora 2004.

Wilde marjolein

Ze voelde zich zo oud, zo afgeleefd, zo ver verwijderd van de beste uren van haar leven, dat ze zelfs terugverlangde naar de slechtste momenten die ze zich herinnerde en toen pas besefte ze hoezeer ze het openbarsten van de wilde marjolein miste en de geur van de rozen bij het vallen van de schemering ... In haar eenzaamheid werd ze bijna menselijk. Gabriel García Márquez, in: Honderd jaar eenzaamheid, Meulenhoff 1998.

Het donker

Ze had altijd gehoopt dat ze het leven op straat zou laten. Voor haar part zakte ze midden op straat in elkaar, het liefst in de hoerenbuurt. Maar zo, naast haar bed, in het donker... Clark Accord, in: De koningin van Paramaribo, Vassallucci 1999.

Onze tijd

Onze tijd is een tijd waarin het ik voorop staat. We zijn ons brein en het leven is wat we ervan maken. We zijn er verantwoordelijk voor, ook als we nauwelijks invloed hebben op de omstandigheden waarbinnen we leven.

We zijn verplicht hedonisten geworden. De groep, de familie, de relaties ermee inbegrepen, hebben hun waarde verloren en zijn vergruizelt waar we bij stonden.

Wat ons resten zijn gevoelens van schuld en schaamte. Want we zijn die topmanager geworden waarvan we droomden, en ook niet die filmster.

Uiteindelijk blijft ons enkel gevoelens van eenzaamheid en verlatenheid. - Kruip uit het licht, daar hoor je niet, schaam je. - Depressiviteit. Ongeluk. Want bij falen hoort straf.

Heb je het hier moeilijk mee? Ga dan maar naar een psychiater of psychotherapeut. Die geven je wel pillen waar je rustig van wordt. Peter Spelbos, 2011.

Eenzaamheid

De ervaring van deze afzondering wekt angst; zij is in feite de bron van alle angst. Geïsoleerd zijn betekent dat ik van alle contact ben afgesneden, het betekent dat ik niet meer in staat ben te beschikken over mijn menselijke vermogens.

Ik ben hulpeloos, ik heb geen vat op de wereld van dingen en mensen; de wereld kan mij overvallen, zonder dat ik bij machte ben daarop te reageren. ...

De diepste behoefte van de mens is dus de noodzaak zijn afzondering te overwinnen, zich te bevrijden uit de kerker van zijn eenzaamheid.

Wanneer hij absoluut en definitief faalt in het bereiken van dit doel, zal dit kunnen leiden tot het verlies van zijn zinnen.

De panische vertwijfeling die ontstaat bij volslagen isolement kan men slechts overwinnen door zich zó radicaal van de buitenwereld te distantiëren dat het gevoel van afzondering verdwijnt - omdat men de onbereikbare buitenwereld door een eigen waanwereld heeft vervangen. Erich Fromm, in: Liefhebben, een kunst, een kunde, Bijleveld 2007.