Aantrekkingskracht

Hoe je ook naar relaties kijkt, er moet altijd dat speciale, aparte gevoel zijn - tenminste, minimaal zo af en toe en liever heel vaak - om een relatie met die ander in stand te kunnen houden. Grunberg noemt dat aantrekkingskracht.

Hieronder een stukje uit Tirza, het bekende boek van Grunberg over een man die langzaamaan een beetje gek wordt: Jörgen Hofmeester en zijn vrouw, de echtgenote, in gesprek in de badkamer voor het naar bed gaan. Op de avond dat zij na drie jaar afwezigheid (ze was weggelopen) weer is teruggekomen.

Tirza - Jürgen Hofmeister en zijn vrouw

'Stoort het je dat ik er ben?' vroeg ze. 'Stoor ik? Zal ik gaan?'

Hij wreef zijn handen tegen elkaar om te voelen of de huid ruw en droog was en hij vroeg zich af of je aan zijn handen zou kunnen zien hoe oud hij was. Hij had het gelezen. De strijd tegen de ouderdom had zich verplaatst van het gezicht naar de handen.

'Ik weet het niet', zei hij. 'Of je stoort. Als je het eerlijk wilt weten, ik weet het niet. Misschien was het beter geweest als je niet was gekomen, maar je bent er. Dat is goed. En je wilt blijven slapen. Ook dat is goed.

Ze had nog altijd zijn lelletje tussen haar vingers. 'Ach Jörgen,' zei ze. 'Mijn Jörgen.' Ze liet zijn oorlelletje los. 'Weet je? Ik heb me nooit tot je aangetrokken gevoeld. Nooit. Zelfs niet in het begin. Weet je wel wat dat is, aantrekkingskracht? Ik bedoel, zegt dat woord je iets? Behalve dan theoretisch.'

Hij veegde over zijn gezicht. Hij voelde de stoppels en hij bracht zijn gezicht iets dichter bij de spiegel, niet veel, een paar centimeter.

'Aantrekkingskracht, wat voor aantrekkingskracht? Waar heb je het over?'

'Het beest,' zei ze, 'dat is aantrekkingskracht. Het beest. Waarover je niet kunt nadenken omdat het er is. Omdat het er gewoon is. Niets wat je kunt wegredeneren. Niets wat je kunt gladpoetsen. Iets wat sterker is dan jezelf. Dat is aantrekkingskracht. Dat is wat mensen soms overvalt als ze een ander zien. Het kan ook sterven, meestal sterft het, je ziet de ander nog wel, maar je neemt hem niet meer waar als een wezen met een geslacht. Als een wezen met een bruikbaar geslacht.'

Hij bestudeerde zichzelf in de spiegel en toen ook haar, via de spiegel.

'Ik voel ook geen aantrekkingskracht voor jou,' zei hij zacht, want hij was opeens bang om Tirza wakker te maken. Hij bleef zichzelf bestuderen terwijl hij fluisterde: 'Als dat is wat je wilt weten, als dat is wat je bedoelt. Ik vind je niet opwindend. Ook nooit gevonden. Misschien heb je het voor andere mannen. Maar niet voor mij. Ik vond je vooral representatief. Ik kon met jou voor de dag komen zonder me te schamen, over het algemeen, uitzonderingen daargelaten, daarom heb ik je uitgekozen. Omdat bij mijn carrière en bij mijn huis een vrouw hoorde. En ik dacht dat jij dat zou zijn. Dat jij de vrouw was die mijn carriere zou aanvullen.'

Nog iets dichter bracht hij zijn gezicht bij de spiegel. Ja zijn huid was minder strak dan vroeger, minder glad. Er lubberde iets. Een onderkin ontwikkelde zich. Vroeger, in dat woord zat meer dan alleen zijn eigen geschiedenis verstopt, en daarmee die van haar, en die van Ibi, en die van Tirza niet te vergeten. In dat woord zat het leven verstopt.

'Maar Jörgen,' zei ze, 'denk je dat ik dat nooit heb geweten? Denk je dat ik dat nooit heb gezien? En nooit heb gevoeld? Denk je dat ik nooit heb gemerkt hoe je keek, als je al keek? De walging waarmee je keek. De paniek.'

Hij antwoordde niet. Hij concentreerde zich niet meer op zijn spiegelbeeld. Zijn blik gleed over de badkamer, over het marmer, de badkuip, het handdoekenrekje dat tegelijkertijd ook een verwarming was, zodat je 's ochtends in de winter warme handdoeken had. Alles geordend, alles schoon. Alles zoals het moest zijn.

'Maar jij,' zei ze, 'jij hebt niets gezien. Niets. Al die jaren. Blind was je. Ik wilde jou net zomin als jij mij wilde. Maar dat zag je niet. Ik vond je oud. Maar je voelde het niet. Je had het te druk. Ik weet niet waarmee, maar je had het te druk.'

'Oud?'

'Te oud.'

'Te oud? Hoe bedoel je? Wanneer is iemand te oud?'

'Oud, Jörgen. Gewoon oud. Te oud voor mij. Mijn vriendinnen vroegen: "Wat doe je met die ouwe sukkel?" Sloom vond ik je, niet alleen in bed, ook daarbuiten. Zo verschrikkelijk sloom, op het pathetische af, alsof jouw traagheid je bijzonder maakte, zo gedroeg je je. En als je dan eens niet sloom was, die paar keer dat je niet sloom was, dan was je... dan was je... Nou ja. En weet je waarom ik ben gebleven? Omdat de mannen op wie ik viel, de mannen die ik wel opwindend vond, spannend, op wie ik verliefd was, soms wekenlang, maandenlang, allemaal iets gemeen hadden. Ze zouden niet goed zijn voor mijn kinderen, als ze al kinderen wilden, maar dat was niet eens het grootste probleem. Het probleem was dat ze nooit zo voor hen zouden zorgen, dacht ik, als jij dat zou doen.'

Hij liep naar het toilet, scheurde een wc-papiertje af, snoot zijn neus en gooide het papiertje in de wc. Hij keek ernaar, hoe het in het water dreef. Toen trok hij door. Het lawaai van het doortrekken luchtte op, leek de spanning die hij een seconde lang als ondraaglijk had ervaren te doorbreken.

Uit: Arnon Grunberg, Tirza, Nijgh & Van Ditmar Amsterdam 2006.