Identiteit en persoonlijkheid

Stel je eens een kluizenaar voor die in de woestijn op zichzelf leeft en nauwelijks contact met anderen heeft. Hij leeft in een grot bij een grote baobab boom en zo eens in de week ziet hij zijn zus die hem wat voedsel brengt.

Zijn ouders besloten ooit dat hij kluizenaar zou worden want zij hadden niets om hem, de jongste zoon, verder te helpen in het leven.

In aanleg is hij een aarzelende, nadenkende man die al in zijn jeugd worstelde met grote angsten en onverklaarbare buien van agressie.

Wat hij meekreeg als belangrijke waarden - van zijn familie en de gemeenschap waarin hij is geboren en opgroeide - was dat hij de natuur had te accepteren en respecteren, en dat de mening van de groep voor die van het individu gaat.

Op achtjarige leeftijd had hij de nare ervaring dat hij achterna werd gezeten door een woestijnjakhals en daar bijna het leven bij inschoot.

De kluizenaar ziet het leven niet als plezierig maar als iets wat hij heeft te ondergaan. Acceptatie, lijdzaamheid en meeveren zijn voor hem belangrijke eigenschappen om te overleven in deze omgeving.

Het leven is voor de kluizenaar moeilijk. Hij leeft van de magere giften die hij krijgt. Ook ervaart hij soms verdriet en boosheid wanneer hij denkt aan wat hij wel anders gewild had in zijn leven maar wat voor hem niet bereikbaar was.

Het persoonlijke verhaal

Iemands identiteit en persoonlijkheid is een verhaal, met een begin en een eind, en met vele vertakkingen ertussenin. Met enkel het gebruik van data of klassen - hij is zo oud, daar geboren, van dit geslacht - kun je iemands persoonlijkheid niet vangen, daar is het te complex voor.

Het verhaal van iemands identiteit en persoonlijkheid begint bij zijn of haar aanleg, en gaat dan verder in geboren worden in een gezin, familie, en opgroeien in een omgeving. Het ontwikkelt zich in wisselwerking met wat er om die persoon heen is, en plaats vindt. Dit gaat zo door totdat die persoon dood gaat.

Het verhaal kan op verschillende niveaus worden vertelt en ervaren. Het kan ook eindeloos opnieuw worden verteld en het klinkt dan telkens net even anders. En hoewel er een begin en eind aan zit, is het nooit af.

Persoonlijkheid gaat vooral over hoe we ons verhouden met onszelf en identiteit over onze relatie met de ander. Op het diepste niveau zijn ze aan elkaar gelijk. Persoonlijkheid en identiteit betreffen hoe we onszelf ervaren en in de wereld staan én anderen ons ervaren en zien.

De existentiële visie is dat dit ervaren en in de wereld staan (het zijn of Dasein) wordt uitgedrukt in en gevormd door bewuste en onbewuste krachten die op verschillende niveaus in de mens werkzaam zijn en met elkaar in conflict zijn.

We kunnen ons deze krachten ook voorstellen als worstelingen met (1) wat we in aanleg zijn, (2) onze (onderdrukte) instinctmatige driften en angsten, (3) de boodschappen en waarden van belangrijke anderen die we geïnternaliseerd hebben, (4) flarden van (vergeten) traumatische ervaringen, (5) de gegevenheden van het bestaan en de confrontaties die daaruit voortkomen.

Van aanleg tot maakbaarheid

In onze aanleg ligt al veel besloten van wie en wat we zullen worden. Daarin ligt bijvoorbeeld vast van welk geslacht we zijn, hoe groot we zullen worden, de kleur van ons haar, ons levensritme en basale stressniveau, of we hetero- of homoseksueel gedrag prefereren.

Wat in aanleg is gegeven legt de basis voor onze identiteit en kadert het bereik waarbinnen we haar verder vorm geven. Hoe we ons zullen ervaren in relatie tot anderen. Waar onze behoeftes liggen en onze zwakheden. Hoe we ons als vrouw zullen voelen naast mannen of omgekeerd. Of we schilder kunnen worden of arts.

Na de geboorte moeten we ons leven leven in een wereld die we in essentie niet kennen en begrijpen maar die ons wel als gegeven verschijnt. Deze wereld ligt vast en al zouden we het willen, haar veranderen en naar onze hand zetten is uitgesloten.

Leven bergt altijd angst in zich. Angst voor deze wereld, voor het onbekende en onverwachte, angst voor de dood die ooit komt. Angst die we het liefst op een afstand houden door, bewust en onbewust, veiligheid voor onszelf te creëren.

We creëren veiligheid door, voortbouwend op wat voor ons in aanleg is gegeven en in wisselwerking met wat op ons af komt, onszelf een identiteit aan te meten - dit ben ik, hier houd ik van, dit haat ik, met die trouw ik, dit is mijn werk - en zich er een aan te laten meten - jij bent mijn kindje, u bent inwoner van Haarlem, jij moet hiernaar luisteren, dit is onze cultuur, u moet deze wetten naleven.

Ik ben geboren in Tilburg en werd als katholiek jongetje aangegeven. Ik herinner me dat ik graag en vaak wilde biechten, hoewel mijn ouders dat niet deden, want zij hadden niets met het katholieke. Maar ik wilde graag bij mijn vriendjes horen. Daarom deed ik op mijn zevende ook de Heilige Communie.

Onze aanleg bepaalt de kaders waarbinnen we ons kunnen ontwikkelen. Vlak na de geboorte is onze identiteit vooral een afgeleide van die van onze ouders en, middels hen, onze voorouders. - We spreken de taal van onze ouders, we leren ons hechten op de wijze die zij ons voordoen, we nemen hun dynamiek over, hun gewoontes, hun vlucht- en sluiproutes.

Naarmate we echter ouder worden staan moeder en vader steeds makkelijker hun bevoorrechte positie af aan anderen, allerlei personen, groepen en instituties buiten het gezin. De buitenwereld krijgt meer invloed. En in interactie met deze buitenwereld krijgen we ook een deel van onze identiteit aangereikt.

Mijn middelste broer zat op het Pauluslyceum, ik op het Odulphus. Ik benijdde hem: de school waarop hij zat was gemengd, het Odulphus niet. Alleen maar jongens. Mijn moeder wilde het zo. Op mijn zeventiende wist ik nog niet goed hoe ik een meisje moest zoenen en hoe borsten voelden.

Mijn identiteit geeft me enerzijds veel houvast wanneer ik me onzeker voel over hoe ik in het leven sta en niet weet wat ik moet doen. Anderzijds ervaar ik haar regelmatig als lastig en belemmerend, vooral wanneer ik me niet onzeker voel. Toch maakt ze deel uit van mijn persoon, ik heb daarin geen keuze.

Identiteit in de kern

Het lastige van het creëren van een eigen identiteit en persoonlijkheid is dat de enige manier om dit te doen is door je eigenheid - bewust en onbewust - af te lezen aan de verschillen en overeenkomsten tussen jou en anderen.

Mijn buurvrouw is ouder dan ik, praat bekakter en is rechtser in haar politieke opvattingen. Ze houdt van auto's - ik niet - en is nogal stijl in de leer als het gaat over gemeenschap en plichten - ik niet. Ze is wat ouderwets, vind ik.

Een man heeft niet automatisch een mening over de lengte van zijn penis. Pas als hij die vergelijkt met die van andere mannen - als kind of op latere leeftijd - kan hij zich hier een mening over vormen. Een mening volgens de buitenwereld (zo lang is wel/niet 'normaal'), en een mening die daarvan is afgeleid (de buitenwereld vindt zus maar ik vind zo).

Ze voelde zich niet op haar gemak, zo tussen al die jonge kerels. Die vrijmoedigheid. Dat was ze in het dorp waar ze vandaan kwam wel anders gewend. Hoe moest ze daar nu mee omgaan? Ze wist het niet en besloot zich vooralsnog voorzichtig op te stellen.

Mensen creëren hun eigenheid door zich te vergelijken met anderen en de verschillen en overeenkomsten tussen zichzelf en de ander op alle mogelijke vlakken te benoemen en benadrukken. Het bepalen van je eigen identiteit houdt daarom het trekken van grenzen én niet-grenzen tussen jou en anderen in.

Wezenlijker gezegd: juist het trekken van deze grenzen en de niet-grenzen en het gedrag daaromheen, is de kern van het bepalen van je identiteit.

Wanneer mensen zo druk zijn met dat proces van trekken van grenzen en niet-grenzen, is het maar al te makkelijk en verleidelijk om, wanneer dat zo uitkomt, vooral de verschillen te zoeken en niet de overeenkomsten. Om de eigen positie als goed en die van de anderen als slecht te benoemen. Iedereen is in zekere mate egoïstisch, dat zit in de aard van de mens.

Hierboven schets ik dit alles alsof we het hier hebben over een bewust proces maar dat is natuurlijk maar ten dele zo. Veel ervan verloopt onbewust, in fracties van secondes, op intuïtief niveau, in reactie op iets. Een oogopslag, een verstolen blik, een aanraking, een toonhoogte die niet bevalt, de ronding van een kin die week maakt, een geur van vroeger.

Op een dierlijk, fysiek niveau vergelijken we wat we tegenkomen met wat we kennen, weten en ons herinneren, en beslissen we of het ok of niet ok vinden. We beslissen dit op basis van hoe we ons voelen én op basis van de emotionele lading die bij ons wordt operoepen door datgene wat we tegenkomen. Op beide hebben we minder invloed dan we wel denken.

Identiteitsconflicten

Al die aspecten van identiteit en persoonlijkheid, aangereikt door groep A en groep B en ontwikkeld door mezelf op basis van aanleg in combinatie met boodschappen van mijn ouders en interactie met de omgeving, kunnen met elkaar in conflict zijn.

Sterker nog, de persoon die al deze identiteitsaspecten probleemloos met elkaar kan integreren, bestaat niet. Natuurlijk zijn er conflicten. En ze zijn niet altijd even makkelijk op te lossen, in onze moderne tijd nog lastiger dan vroeger.

Toch, juist het aangaan van deze conflicten, uitzoeken waaruit ze bestaan en dan oplossingen vinden, betekent dat je een volwassen zelf, een volwassen persoonlijkheid vormt die met beide benen op de grond in het volle leven staat.

In wezen is het vinden van een oplossing eenvoudig. Die ligt in het maken van de keuzes die je te maken hebt, het trekken van de grenzen en niet-grenzen, en het accepteren van wat er is, en voor dit alles en voor het leven wat hier uit voortvloeit verantwoordelijkheid nemen.

Nu is keuzes maken niet altijd makkelijk, zeker niet voor iedereen en beslist ook niet wanneer onduidelijk is waartoe de keuzes die je maakt zullen leiden.

Ook is keuzes maken soms niet toereikend of niet goed mogelijk.

Bijvoorbeeld in moeilijke persoonlijke tijden of wanneer je jong bent of nog met allerlei problemen zit. Of in tijden van oorlog of wanneer samenlevingen aan het desintegreren zijn of juist een hele lastige fase doormaken.

In zo'n geval is het beroep wat mensen moeten doen op hun probleemoplossend vermogen simpelweg te groot en treedt de egoïstische noodzaak om te overleven meer op de voorgrond.

Mensen vinden het dan dikwijls prettiger hun innerlijke conflicten te negeren en gewoon door te gaan met hun leven, alsof er niets aan de hand is.

Ze ontwikkelen een vals zelf of een psychische stoornis, of projecteren al hun angst in datgene wat of die anderen die in hun ogen de problemen veroorzaken.

Deze laatste reactie is voorspelbaar en bestaat al zo lang de mens bestaat. In de middeleeuwen werden, vooral in lastige tijden - oorlog, de pest, cholera, hongersnood - rare vrouwen verbrand als heks.

Het anders-zijn kanaliseert de angst. In tijden van angst en grote persoonlijke onzekerheid is je afzetten tegen anderen aantrekkelijk en egostrelend gedrag. Dit is ook wat je nu om je heen ziet gebeuren, waar zo velen zo druk mee zijn.