Denken in tegenstellingen

Midden vorige eeuw ontwikkelde Claude Lévi-Strauss, de beroemde antropoloog, zijn theorie van het structuralisme. Die theorie stelt dat mensen in hun omgaan met en verbeelden van het leven, inclusief de interactie met zichzelf en anderen, niet kunnen zonder een vereenvoudigde voorstelling van zaken, waarin immer een tegenstelling ligt besloten.

Mensen verbeelden de werkelijkheid bij voorkeur in de vorm van stereotypen die ze, als ze dit voor elkaar kunnen krijgen en ook al past dit logisch gezien niet helemaal of helemaal niet, tegenover andere stereotypen zetten.

Schijnbaar als resultaat hiervan verschijnen binnen onszelf èn in de interactie tussen personen en groepen, stelsels van polariteiten, van zwart-wit denken. Denk aan het eeuwige twijfelen tussen dit of dat wat mensen zo kunnen hebben. Denk aan onze politieke systemen. jean miro

Het is niet zo dat binnen deze tegenstellingen geen ruimte is voor grijstinten, die staan we ons wel degelijk toe. Het betreft dan echter vooral de onbelangrijke aspecten.

Wanneer het er voor ons ècht op aankomt, zetten we de verschillen duidelijker clichématig neer en benadrukken we het polaire, ook al vallen de verschillen in werkelijkheid nauwelijks te onderscheiden of vergelijken we, technisch gesproken, appels en peren met elkaar.

Daar komt bij dat wanneer we het lastig vinden, of wanneer het ons gewoon niet lukt, datgene waarmee we bezig zijn volgens zo'n tegenstelling in hokjes te stoppen, bijvoorbeeld omdat we er te weinig van weten of verstand van hebben, we de neiging hebben het ontbrekende of dat wat we te lastig vinden om te duiden, in te vullen zoals ons goeddunkt. In feite te duiden volgens de ons bekende stereotyperingen.

Drie redenen

Waarom doen we dit zo? Modern wetenschappelijk onderzoek, ongewild in onderbouwing van de ideeën van Lévi-Strauss, suggereert een drietal redenen.

De eerste reden is dat we continu onze omgeving op mogelijk gevaar checken. Echter, onze hersenen hebben daarvoor in normale omstandigheden slechts een beperkte capaciteit beschikbaar. Datgene wat we waarnemen, delen we in hokjes in, naargelang we het kunnen relateren aan vroegere ervaringen. Dit indelen doen we razendsnel en op basis van eruitspringende kenmerken. Wat we niet weten of snappen, vullen we in.

De tweede reden ligt in het verlengde van het voorgaande. Namelijk, wij mensen zijn egocentrisch en in alles wat op ons afkomt, bij alles waarmee we ons hebben te verhouden, zoeken we een punt, een zijde, waarmee we ons kunnen indentificeren. We willen een 'wij-gevoel' creëren, maar op onze manier en voorwaarden.

Noodzakelijkerwijze verschijnt dan al het andere, alles en iedereen waarmee we ons niet of niet zo makkelijk kunnen identificeren, als iets vreemds wat tegenover ons staat, als een zij tegenover het wij. De lading die in dit tegenover elkaar staan besloten ligt, is intenser naarmate de situatie lastiger is.

De derde reden is dat onze hersenen, simpel gezegd, uit twee delen bestaan. Elk deel steekt anders in elkaar en heeft min of meer een eigen focus en functie.

Het ene deel is meer gericht op logica en ratio, en op zaken voor elkaar krijgen en problemen oplossen. Het andere deel is vooral gericht op omgaan met emotie en het aangaan en onderhouden van bindingen. We noemen dit ook wel de mannelijke, respectievelijk de vrouwelijke kant van onze hersenen.

Zoals mensen in elkaar zitten, zijn zelden beide delen tegelijk op de voorgrond aanwezig. Daarnaast heeft elk persoon op het niveau van de persoonlijkheid en identiteit ook nog eens een voorkeur voor een van de twee delen. De bouw van ons brein beïnvloedt direct het denken en voelen in polariteiten.

Kortom

Mensen denken misschien wel van zichzelf dat ze zo eerlijk en objectief zijn naar alles wat ze tegenkomen in hun leven, dat ze ruimte geven aan de nuance en wat anders is, maar dat is natuurlijk niet zo.

Mensen denken, oordelen en handelen bij voorkeur stereotiep, met een draai naar een van de twee uitersten, zwart-wit zelfs, met als motto: het leven draait om mij, en anders-zijn dan mij is maar lastig want eng want ken ik niet, en wie niet voor mij en de mijnen is, is tegen mij.

Pas wanneer mensen de tijd nemen om met de ander echt in gesprek te gaan of om zich langdurig in zaken te verdiepen, ontstaat ruimte voor enige nuance. Maar dat kan zo maar weer weg zijn als er, bijvoorbeeld, weer druk op de ketel komt.

Al deze inzichten zijn niet nieuw. Jung had het al over het vrouwelijke (anima) en mannelijke (animus) in de mens, het stereotyperen is al bekend uit onderzoek uit de jaren dertig, het verwerpen van informatie die je niet bevalt (cognitieve dissonantie) uit onderzoek uit de jaren veertig. En ongetwijfeld zijn er al oudere inzichten en geschriften en wetenschappers te noemen die dit al eerder bedacht en beschreven hebben.

Echter, de verstrekkendheid en hardnekkigheid van dit wat we doen, wordt eigenlijk maar zelden erkend. In ieder geval wordt telkens opnieuw gedaan alsof het een pas nu bekend fenomeen is.

Typisch dat wij ziende blind zijn en dit niet willen toegeven. Je zou haast denken dat er wat achter zit, dat een mens dat nuanceren niet aankan. En misschien is dat ook wel zo en zijn mensen, grosso modo, daar niet op gebouwd. Hoe nastrevenswaardig we dat ook vinden, de nuance.

Gerelateerde pagina' s: Levensvragen - Mensbegrippen - Man en vrouw - Over identiteit - Ouder worden - Ontstaan van identiteit - Sublimeren - Conformisme - Zingeving