Structuralisme en simplisme

Midden vorige eeuw ontwikkelde Claude Lévi-Strauss, de beroemde antropoloog, samen met anderen en op basis van de structurele taaltheorie van Ferdinand de Saussure, de theorie van het structuralisme.

Kern van het structuralisme is de opvatting dat het subject, inclusief de mens, wezenlijk een sociale constructie is. Wij bestaan en zien de wereld om ons heen bij de gratie van de constructen en concepten die we in ons denken meekrijgen van diezelfde wereld om ons heen. Daarbuiten is niets, in ieder geval geen betekenis waar wij wat mee kunnen.

Zo zal wat nu als een geslaagd mens geldt - de winnaar van de Voice of Holland om maar wat te noemen - afhangen van wat de samenleving, of de drijvende krachten binnen die samenleving, vindt hoe geslaagd zijn gedefinieerd moet worden. En daarbij gaat het om het concept geslaagd zijn anno 2012, niet dat van 1990.

De theorie stelt verder dat mensen in hun omgang met het leven, inclusief de verbeelding ervan en de interactie met zichzelf en anderen, niet kunnen zonder een vereenvoudigde voorstelling van zaken. En opnieuw is de vereenvoudigde voorstelling afgeleid van de geldende moraal en ideeën in de samenleving. In deze voorstelling zit altijd een tegenstelling besloten.

Anders gezegd: mensen verbeelden de werkelijkheid bij voorkeur in de vorm van stereotypen die ze, als hen dit zo uitkomt, ook al past het logisch gezien niet helemaal of helemaal niet, tegenover andere stereotypen zetten.

Het resultaat hiervan is dat we schijnbaar als vanzelf binnen het heersende systeem in onszelf èn in de interactie tussen personen en groepen, stelsels, structuren van polariteiten denken. Denk aan onze politieke systemen. Denk aan het polaire denken wat mensen zo kunnen hebben.

Ook geldt dat wanneer het er voor ons ècht op aankomt, we de verschillen duidelijker clichématig neerzetten en we het polaire benadrukken, ook al vallen de verschillen in werkelijkheid nauwelijks te onderscheiden of vergelijken we, technisch gesproken, appels en peren.

Drie redenen

Waarom simplificeren we de wereld om ons heen? Naast filosofische overwegingen - het is ingewikkeld om anderen en het andere objectief te kennen - suggereert wetenschappelijk onderzoek een drietal redenen.

De eerste reden is dat we continu onze omgeving op mogelijk gevaar checken. Onze hersenen hebben daarvoor in normale omstandigheden echter slechts een beperkte capaciteit beschikbaar en lost dat op pragmatische wijze op.

Datgene wat we waarnemen, stoppen we in hokjes naargelang we het kunnen relateren aan vroegere ervaringen en overwegingen. Dit indelen doen we razendsnel en op basis van eruitspringende kenmerken. Wat we niet weten of snappen, vullen we in.

De tweede reden ligt in het verlengde van het voorgaande. Namelijk, wij mensen zijn egocentrisch en in alles wat op ons afkomt, bij alles waarmee we ons hebben te verhouden, zoeken we een punt, een zijde, waarmee we ons kunnen indentificeren. We willen een 'wij-gevoel' creëren, maar op onze manier en voorwaarden.

Noodzakelijkerwijze verschijnt dan al het andere, alles en iedereen waarmee we ons niet of niet zo makkelijk kunnen identificeren, als iets vreemds wat tegenover ons staat, als een zij tegenover het wij. De lading die in dit tegenover elkaar staan besloten ligt, is intenser naarmate de situatie lastiger is.

De derde reden is dat onze hersenen, simpel gezegd, uit twee delen bestaan. Elk deel steekt anders in elkaar en heeft min of meer een eigen focus en functie.

Het ene deel is meer gericht op logica en ratio, en op zaken voor elkaar krijgen en problemen oplossen. Het andere deel is vooral gericht op omgaan met emotie en het aangaan en onderhouden van bindingen. We noemen dit ook wel de mannelijke, respectievelijk de vrouwelijke kant van onze hersenen.

Zoals mensen in elkaar zitten, zijn zelden beide delen tegelijk op de voorgrond aanwezig. Daarnaast heeft elk persoon op het niveau van de persoonlijkheid en identiteit ook nog eens een voorkeur voor een van de twee delen. De bouw van ons brein beïnvloedt direct het denken en voelen in gesimplificeerde polen.

Kortom

Mensen denken misschien wel van zichzelf dat ze zo eerlijk en objectief zijn naar alles wat ze tegenkomen in hun leven, dat ze ruimte geven aan de nuance en wat anders is, maar dat is natuurlijk niet zo.

Mensen denken, oordelen en handelen bij voorkeur stereotiep en volgens de moraal die nu geldt, met een draai naar een van de twee uitersten, met als motto: het leven draait om mij, en anders-zijn dan mij is maar lastig want eng want ken ik niet, en wie niet voor mij en de mijnen is, is tegen mij.

Pas wanneer mensen de tijd nemen om met de ander echt in gesprek te gaan of om zich langdurig in zaken te verdiepen, ontstaat ruimte voor enige nuance. Maar dat kan zo maar weer weg zijn als er, bijvoorbeeld, weer druk op de ketel komt.

Al deze inzichten zijn niet nieuw. Jung had het al over het vrouwelijke (anima) en mannelijke (animus) in de mens, het stereotyperen is al bekend uit onderzoek uit de jaren dertig, het verwerpen van informatie die je niet bevalt (cognitieve dissonantie) uit onderzoek uit de jaren veertig. En ongetwijfeld zijn er al oudere inzichten en geschriften en wetenschappers te noemen die dit al eerder bedacht en beschreven hebben.

Ferdinand de Saussure

Het structuralisme is de uitbreiding van de structurele taaltheorie van Ferdinand de Saussure (1857 - 1913) naar verschillende andere vakgebieden. De Saussure stelt dat de betekenis van een woord niet is afgeleid van datgene waarnaar het woord verwijst maar haar betekenis krijgt aangereikt door de omgeving, de context, waarbinnen het object object is.

Zo betekent het woord tafel an sich niets en kan het niet worden afgeleid van het object tafel, maar wordt het louter en alleen gedefinieerd en gecontrueerd door de structuur en cultuur waarbinnen dat specifieke object bestaat. De betekenis is dus op het diepste, meest basale niveau afhankelijk van alle afspraken die binnen die cultuur en structuur bestaan ten aanzien van alle objecten.

Politieke overtuigingen

Zit je politieke overtuiging in de hersenpan verscholen?

Neurowetenschappers van University College Londen (UCL) gaan daar een nader onderzoek naar instellen, nadat een test onder studenten had gesuggereerd dat onderdelen van de hersenen van rechtse jongeren een andere vorm hebben dan die van linkse.

UCL scande de hersenen van 90 studenten die eerst naar hun politieke opvattingen waren gevraagd. Daaruit bleek dat er een 'sterke correlatie was tussen de dikte van twee specifieke delen van de grijze cellen en hun visie op de wereld.'

Mensen die zichzelf rechts vinden, hebben meer geprononceerde amygdalae - de amandelvormige kernen in de hersenen die verbanden leggen tussen informatie van van verschillende zintuigen en emotie. Linkse mensen hebben juist een dikkere cortex cingularis anterior, het deel dat betrokken is bij de verwerking van emotionele prikkels.

Geraint Rees, directeur van het instituut, zegt verrast te zijn door de uitkomst van het onderzoek. Het onderzoek was begonnen als een grappig bedoeld experiment. ...

P. de Waard, in: De Volkskrant, 30 dec 2010.