In wezen gestoord

De kranten staan deze maanden, september en oktober 2008, regelmatig vol over patiënten in psychiatrische inrichtingen die worden vastgebonden aan hun bed en zo de dag moeten zien door te komen. Patiënten die worden opgesloten in isoleercellen en drie maal per dag, aangereikt door een luikje in een deur, een bord eten krijgen. Die gedrogeerd in een bank hangen en voor zich uit staren.

Onmenselijke toestanden, schrijft zo'n krant dan. Dat mag niet. Dat hoort niet. Een hoop gekakel, een hoop gedoe, een hoop gewijs met vingers. Vragen in de tweede kamer, een antwoord van een minister of een andere hotemetoot, een commissie aan het werk gezet en vervolgens, na een week of zo, allemaal weer over tot de orde van de dag of iets anders wat voorbij komt. Dat gaat al decennia zo, dat zal nog decennia zo gaan.

Psychiatrische patiënten

Wie wel eens, zoals ik, psychiatrische inrichtingen in Afghanistan of Tajikistan heeft bezocht, weet dat het leven voor die patiënten in die inrichtingen daar veel zwaarder en miserabeler is dan het leven van psychiatrische patiënten in instellingen hier in Nederland.

Ze zijn psychiatrisch patiënt en komen er, behalve dood, nooit meer uit (er even vanaf gezien dat bij de patiënten daar, er ook tussen zitten vanwege hun kritische houding naar de overheid of het dwarszitten van deze of gene).

Toch gaan we, of liever gezegd de samenleving, zowel hier als daar in essentie op eenzelfde manier met psychiatrische patiënten om. Uiteindelijk zien we de patiĆ«nten als stuk, als kapot, en wel als zodanig kapot dat we ze niet of nauwelijks meer kunnen maken.

Wat we met hen moeten, wat hen verder zou helpen, weten we niet goed. We zijn daarin verward.

Mensvisie

Aan de basis van onze verwarring in het omgaan met psychiatrische patiënten ligt een tweeledige visie op wat een mens is of kan zijn en de ogenschijnlijke tegenstelling daartussen.

De ene visie luidt - versimpeld - dat een mens een organisme, een wezen is wat, mits goed begeleid en ontwikkeld, goed zal presteren en zich goed kan handhaven in het leven. Als er dan wat mis gaat, is het uiteraard in de persoon zelf; er zit een draadje los wat niet los had mogen zitten. In moderne taal: misschien een genetisch defect, misschien neurale patronen die onder druk niet optimaal kunnen manifesteren, misschien hormonale problemen, misschien een wezen wat zich niet optimaal heeft aangepast aan of mee kan met de hectiek van onze samenleving, misschienb een combinatie van dit alles.

De andere mensvisie, die hier min of meer tegenover staat, luidt - versimpeld - dat het wezen van de mens, in aanleg gegeven door de genen en het fysieke en biologische, zich continu ontwikkelt in interactie met anderen en het andere. Als er dan wat mis gaat, ontstaat dat in de relatie tussen persoon en omgeving, en waar en òf er dan een draadje los zit, valt nog te bezien. Waarschijnlijk een los draadje in alles wat er is: in die ene mens, zijn omgeving, en in de interactie tussen dit alles.

Beide visies raken aan de nature-nurture debatten. In haar meest rudimentaire vorm gaat de eerste visie terug op de nature kant en de tweede op de nurture kant.

In mijn optiek omvat de tweede opvatting, zoals hier gepresenteerd, een visie die je onder meer tegenkomt in het existentialisme en (deels) het humanisme. Velen echter, en zeker niet degenen met de minste macht in onze samenleving, hebben zich bekend tot de eerste opvatting en moeten weinig hebben van de tweede.

Mensvisies en psychische problemen

Het verschil in mensvisie leidt ook tot een verschil in visie op hoe psychische problemen ontstaan en wat er mis is met mensen die niet goed functioneren in samenleving en maatschappij. Grofweg gezegd een los draadje versus iets wat ontspoort en leidt tot vervreemding van het zelf, anderen en het andere.

Vanuit deze tegenstelling zijn er ook verschillende, tegengestelde visies op hoe je afkomt van, zeg maar, migraine, depressiviteit en psychotische klachten.

Vanuit de eerste optiek, die van het losse draadje, moeten mensen met een defect, simpel gezegd, gewoon 'gerepareerd' worden en als dat niet kan, tja, dan houdt het op, dan rest slechts opsluiten en grove middelen als vastbinden en chemische middelen of - vroeger - electroshocks.

Vanuit de tweede optiek, die van de interactie, moeten mensen met problemen die in wezen teruggaan op vervreemding van het zelf en het andere, opnieuw leren naar zichzelf en anderen te kijken, opnieuw leren zich te binden en hechten, opnieuw leren te ontmoeten en zinnig te interacteren.

De eerste opvatting vind je in het bijzonder terug in de klassieke psychiatrie, waarbij de psychiater vooral een medicus en neuroloog is, een zenuwarts die het organisme en de zenuwen van de patiënt keurt en checkt en hem dan zonodig het stempeltje 'gek' geeft. De tweede opvatting leeft het meest in de psychologie en psychotherapie, en dan in het bijzonder de humanistische richtingen daarbinnen, en vele richtingen in de, wat je hier in Nederland noemt, alternatieve geneeswijzen.

En hoewel de twee kanten langzaamaan naar elkaar groeien, is de tegenstelling daar, al vele decennia. Een probleem hierbij is de onnozelheid en felheid, rigiditeit soms, waarmee velen juist de ene danwel de andere visie en manier van werken verdedigen, zonder de balans te (willen) vinden of oog te hebben voor wat door de natuur gegeven is en wat de cultuur vermag.

Natuurlijk zijn er vormen van depressie die hun oorsprong voor honderd procent in het biologische en genetische vinden. Idem wat betreft migraine en adhd en talloze andere psychische problemen. Net zo goed zijn er vormen van depressie waarbij de oorsprong volkomen in de interactie tussen een persoon en zijn omgeving ligt, net zoals vele vormen van migraine en adhd. En over het algemeen, ja, ligt het ergens tussenin.

Het onbenul

Ik zal nooit die cliënt vergeten van tegen de veertig die zijn hele leven al stijf stond van de angst en de afgelopen vijftien jaar acht maal geopereerd was aan zijn gewrichten omdat daar, zo vertelden de medici hem, de lichamelijke spanning zich ophoopte. Door in de gewrichten wat bot en kraakbeen weg te halen, zo was hun verwachting, kon de druk op de spieren afnemen waardoor de cliënt minder spanning (en angst) hoefde te voelen.

Elke keer verlangde deze man, met spanning en angst, naar de operatie en telkens, gedurende drie maanden daarna, voelde hij minder spanning en angst. Maar dan viel hij langzaam weer terug in zijn bekende staat. Telkens kwam de spanning en angst terug, vooral wanneer hij weer geheel zonder aandacht en begeleiding was. En dan stonden de medici weer voor een raadsel, zijn huisarts voorop.

Al die jaren is deze man nooit onder psychologische of psychotherapeutische begeleiding geweest want alle betokkenen achtten het een medisch probleem. Totdat dezelfde medici, zoveel jaren en honderdduizenden euros gemeenschapsgeld verder, toegaven het ook niet meer te weten en hun interventies stopten. Toen was er wel ruimte voor een andere insteek, psychotherapeutische begeleiding, waarbij de man geholpen werd zijn leven op orde te brengen. En dat ook voor elkaar kreeg.

Dit lijkt misschien een extreem voorbeeld maar is het niet. Elke therapeut kan zulke verhalen vertellen. En op een ander niveau, dat van de psychiatrie, gebeurt precies hetzelfde. Ook daarover kunnen therapeuten schrijnende verhalen vertellen. Over cliënten die, bijvoorbeeld, electroshocks hebben gekregen en niet goed weten waarom, die volkomen gemangeld de psychiatrie uitkomen en jaren nodig hebben daarvan te herstellen.

Denk ook aan diegenen die als schizofreen worden gelabeld, waarbij de verklaring van het ontstaan ervan wordt gezocht in een genetisch of neurologisch defect wat zich pas later, zo vanaf de latere adolescentie, openbaart. Denk aan diegenen die psychotisch worden en als ontoegankelijk worden gelabeld en daarom aan hun lot worden overgelaten, denk aan - om een zijstraat te nemen - al diegenen die tegenwoordig de diagnose ADHD opgeplakt krijgen en ritalin moeten slikken om niet te hoeven botsen met de wereld buiten hen.

Vanuit de andere mensvisie gezien is het probleem eerder dat onze samenleving weinig ruimte heeft voor mensen die anders zijn, anders in de zin dat ze misschien wel lelijker, langer, lomper, intelligenter, dommer, angstiger, tegendraadser, boziger, ruimdenkender zijn en met meer interne tegenstellingen worstelen dan hun omgeving en dat van zichzelf weten maar dat niet van zichzelf kunnen accepteren of die daarom als anders door diezelfde omgeving worden gelabeld en apart gezet en dàt niet kunnen accepteren.